Preek van de week

3e zondag van de veertigdagentijd

Marian Geurtsen

Johannes 4, de vrouw bij de bron

Hoe passend dat we vandaag, op internationale vrouwendag, het evangelie lezen van de ontmoeting van Jezus met de vrouw bij de bron. Juist vandaag is het mooi om stil te staan bij deze vrouw.
Was het eigenlijk bijzonder dat Jezus sprak met een vrouw? Uit het verhaal zelf spreekt verbazing. De vrouw zegt het hardop: hoezo spreekt u, een jood, mij aan, een samaritaanse vrouw? En als de leerlingen erbij komen, zijn ze verbaasd dat hij met een vrouw in gesprek is.
Jezus doorbreekt de mores van zijn tijd: hij spreekt een vrouw aan, hij neemt haar net zo serieus als een man. Voor Jezus is er geen grens tussen mannen en vrouwen. Geen grens tussen eigen volk en buitenlanders ook.

We moeten toch even naar die vijf mannen van de vrouw, want dat misverstand moet uit de weg geruimd worden. Door de eeuwen heen zijn exegeten gefascineerd geweest door die vijf mannen van de vrouw. Ze moet haast wel een mannenverslindster zijn geweest, toch? Het ideaal was immers: de vrouw te zijn van één man, eenmaal getrouwd zijn en niet vaker, zo staat er in de brieven van Paulus wel een aantal keren.
Maar dat ideaal is alleen maar te realiseren als je samen lang en gelukkig oud kunt worden. En dat was in de maatschappij van rond Jezus’ tijd eerder uitzondering dan regel. Mensen stierven veel jonger dan zoals voor ons gewoon is. Het was niet ongewoon dat een vrouw al op haar twintigste weduwe was.
De fascinatie van de exegeten voor haar seksuele leven weerspiegelt hoe er altijd naar vrouwen gekeken werd en soms nog wordt.

Dat gaat voorbij aan de werkelijke levens van vrouwen, hoe zij soms door allerlei oordelen van anderen heen hun eigen weg moeten zoeken. En hoe zij niet gezien worden op haar eigen merites: mensen met eigen talenten, met hun hoop, met hun wensen, vrouwen die iets kunnen bijdragen aan de samenleving, anders dan de afwas doen en kinderen baren.
Zo is ook vaak de vrouw in dit verhaal gereduceerd tot haar seksuele leven. En zo zag men de bijzondere rol over het hoofd die deze vrouw krijgt toebedeeld door Johannes de evangelist.
De vrouw ziet dat zij gekend wordt door Jezus. Het weten van Jezus opent de vrouw de ogen. ‘Heer, ik zie dat u een profeet bent.’ zegt ze. En later gaat ze zelf terug de stad in om te verkondigen dat deze Jezus de Messias is. Daarom wordt ze in de orthodoxe traditie een apostelgelijke genoemd: net zoals Maria Magdalena.

Ik ga nog even terug naar de inhoud van het gesprek van Jezus met de vrouw, naar de woorden van Jezus: ik ben het levend water.

We lezen hier één van de “Ik-ben-woorden” van Jezus. In het evangelie van Johannes zegt Jezus tot zevenmaal toe: ‘Ik ben’. Ik ben het levend water, ik ben het brood des levens, ik ben de goede herder, ik ben de verrijzenis, en er zijn er nog een paar.
Deze formulering ‘Ik ben’: in het grieks: ‘Ego eimi’, is zo nadrukkelijk dat hij doet denken aan de godsnaam zelf. Als Mozes in gesprek is met God bij de brandende braamstruik, vraagt hij hoe hij God moet noemen. En dan antwoordt God: ‘Ik ben die ik ben.’ En nu gebruikt Jezus die ‘ik ben’ op een nadrukkelijke mnier. Niet alleen laat hij daarmee zien dat hij dichtbij God staat, maar hij laat ook zien waar God voor staat: voor levend water in dit geval.

We leven naar Pasen toe: in deze weken openbaren de lezingen allemaal iets over Jezus, en stap voor stap bereiden ze ons voor op die laatste openbaring: het mysterie van Christus die de dood overwint en nieuw leven geeft.
Vandaag openbaart hij zich als water. Op een materieel niveau kennen we dat goed: water hebben we nodig om te drinken, om ons te wassen, om ons voedsel te laten groeien op het land. Zo reikt God water aan in de woestijn als het volk erom vraagt: water uit een rots.
En Jezus wijst op een diepere bron. Hij zegt tegen de vrouw: ‘Het water dat ik hem geef zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’
Een bron in onszelf, waar water opwelt dat eeuwig leven geeft. Dat is nogal wat.

Met Pasen gedenken we onze doop: door het water heen gaan om nieuw leven te krijgen. Als Jezus zegt dat hij het levend water is, dan gaat het over nieuw leven krijgen via Jezus.
Onze doop geeft ons toegang tot de bron van leven.
En heel bijzonder: doordat wij in Christus gedoopt zijn, heeft hij ons die bron van levend water gegeven als een bron in ons zelf.
In deze weken voor Pasen worden wij uitgenodigd om ons voor te bereiden op die ontmoeting met Christus, met God zelf.

Is die bron in onszelf open? Hebben we hem niet afgedekt met grote stenen?
Want het is eng om kwetsbaar te zijn.
Stel dat ik zou moeten leven vanuit die bron?
Stel dat ik naar binnen zou moeten keren in plaats van buiten mij te vragen om water?
Het is makkelijker om buiten mijzelf te zoeken. Want als het dan niet lukt om die bron te vinden, dan kan ik anderen de schuld geven. Maar die bron die in mijzelf ziet, dan kan ik niet op anderen leunen.
In mijzelf, in ieder van ons, zit een bron, een bron waaruit je mag putten. Die bron is je gegeven, die is je toegezegd bij je doop. Het is jouw zaak om die bron open te houden. Niet te laten bedekken door stenen van eigenbelang, stenen die te maken hebben met het najagen van de verkeerde dingen.
Als je verkeerde dingen najaagt: geld of macht, of oppervlakkige dingen, dan verberg je de bron in jezelf.
Maar als je goede dingen zoekt: open staan voor God, leven vanuit aandacht, aandacht voor de ander, dan blijf je open bij jouw bron van levend water.

Durven wij zelf dat levende water te laten opborrelen in onszelf?